INDICATIES VOOR TROMBOSE

De verschijnselen van trombose hangen af van de plaats waar trombose is ontstaan. Er kunnen weinig of veel klachten optreden. Als een bloedstolsel een ader in het been afsluit, kan het been gaan zwellen en pijnlijk aanvoelen. Wanneer een bloedstolsel een bloedvat in de longen afsluit, kan dit gepaard gaan met kortademigheid en pijn bij het ademhalen. Ontstaat er een stolsel in de bloedvaten van de hartspier, dan kunnen aanvallen van pijn op de borst hiervan het gevolg zijn. Hieronder worden de indicaties verder beschreven: 
 
Diep veneuze trombose en longembolie
Boezemfibrilleren
Hersenberoertes 
Hartklepvervanging 
 

DIEP VENEUZE TROMBOSE EN LONGEMBOLIE 

Een longembolie ontstaat doordat een deel van een bloedprop loslaat en door de bloedstroom wordt meegevoerd via het hart en de longslagader. Deze bloedprop kan een tak of zelfs meerdere takken van de longslagader afsluiten. Dit heet een longembolie. Longembolieën ontstaan bij mensen die ergens in het lichaam een zogenoemde veneuze trombose hebben. Deze ontstaat in het merendeel van de gevallen in de diepe beenaderen. Deze patiënten hebben soms een trombosebeen (rood, warm en pijnlijk), maar dit hoeft niet. Aangezien een diep veneuze trombose in zo’n 30 procent van de gevallen vergezeld gaat van een longembolie, is het belangrijk om een trombosebeen direct en zorgvuldig te behandelen. 
 

SYMPTOMEN LONGEMBOLIE 

Het meest voorkomende symptoom is pijn op de borst, meestal gekoppeld aan de ademhaling. De pijn wordt veroorzaakt doordat het borstvlies geprikkeld wordt. Overigens ontstaat de pijn waarschijnlijk pas uren tot soms dagen na het optreden van de embolie. Diep veneuze trombose en longembolie zijn een relatief veel voorkomende oorzaak van ziekte en overlijden. 
 

LONGEMBOLIE EN ANTISTOLLING 

Zo’n 30 procent van de patiënten die een longembolie heeft gehad, zal een nieuwe longembolie krijgen als ze niet behandeld worden met antistolling. Wordt een patiënt behandeld met orale antistolling (coumarines), dan is de kans op een hernieuwde diep veneuze trombose of longembolie zeer klein. 
 

DUUR VAN DE ANTISTOLLINGSBEHANDELING 

De duur van een orale antistollingsbehandeling bij een diep veneuze trombose of een longembolie is 3 tot 6 maanden. Bij herhaling van het ziektebeeld kan voor langere duur van de antistolling worden gekozen. Zijn daarnaast erfelijke risicofactoren voor trombose aanwezig, dan kan voor levenslange antistolling worden gekozen. 
 

BOEZEMFIBRILLEREN 

Boezemfibrilleren – ook wel atriumfibrilleren genoemd – betekent letterlijk trillen van de (hart)boezem. Het is de meest voorkomende hartziekte. Het ziektebeeld dankt zijn naam aan de plek in het lichaam waar het optreedt: de links en rechts gelegen hartvoorkamers. Een andere naam voor een voorkamer is boezem of atrium. Een gezond hart pompt normaliter regelmatig met een ritme van 60 à 80 hartslagen per minuut. Bij boezemfibrilleren is dit regelmatige ritme afwezig. Mensen met bepaalde hartziektes – zoals doorbloedingsstoornis van de hartspier, hoge bloeddruk, hartfalen, hartklepgebrek en suikerziekte – hebben kans op het krijgen van boezemfibrilleren. Er is niet altijd een oorzaak aan te wijzen voor het ontstaan van boezemfibrilleren. Boezemfibrilleren komt met name veel voor bij mensen van boven de 50 jaar. 
 

OORZAKEN 

Oorzaken voor boezemfibrilleren kunnen een sterke schildklierwerking, ziekte van de kransslagaders of klepafwijkingen zijn. Ook komt de afwijking voor na borst- of longoperaties, infecties, hoge koorts, bloedingen en grote verwondingen. Boezemfibrilleren kan in aanvallen optreden. Zo’n aanval is van korte duur en er is een duidelijk begin en einde aan te geven. Sommige mensen merken niet dat zij last hebben van boezemfibrilleren. Anderen hebben hartkloppingen of pijn op de borst, benauwdheid, duizelingen of voelen zich snel moe. De behandelend arts zal proberen het hartritme te herstellen met een elektrische stroomstoot of met medicijnen. Lukt dit niet, dan wordt met behulp van medicijnen geprobeerd het hart minder snel te laten kloppen. 
 

BOEZEMFIBRILLEREN EN TROMBOSE 

Omdat het bloed niet regelmatig door de boezems stroomt en op sommige plaatsen in de boezems zelfs stilstaat, kan stolselvorming – trombose – in de boezem optreden. Een stukje van dat stolsel kan loslaten. Meestal gebeurt dit in de linkerboezem. Dat stolsel komt in de bloedvaten terecht en schiet dan in de meeste gevallen naar de hersenen. In de hersenen kan het stolsel vastlopen en een bloedvat afsluiten met als gevolg uitvalsverschijnselen. Deze uitvalsverschijnselen kunnen van korte duur zijn. Houden ze langer dan 24 uur aan, dan spreken we van een herseninfarct, ofwel een beroerte. De ernst en de duur van de klachten hangen af van de grootte van het stolsel. Omdat door boezemfibrilleren een stolsel in de boezem kan ontstaan, schrijft de arts vaak antistollingsmiddelen voor. 
 

HERSENBEROERTES 

Een beroerte ontstaat in de meeste gevallen door de afsluiting van een bloedvat in de hersenen (meestal een slagader) of door een embolie. In medische termen heet een hersenberoerte CVA. Om herhaling van hersenberoertes te voorkomen wordt orale antistolling als belangrijk middel ingezet. 
 

EEN HARTKLEPVERVANGING 

Defecten aan hartkleppen gaan vaak gepaard met kortademigheid, opgezette voeten, pijn op de borst, een onregelmatige hartslag, moeheid en soms duizeligheid bij inspanning. Als een hartklep zo ernstig beschadigd is dat hij niet meer goed functioneert, kan worden besloten de zieke klep te vervangen door een nieuwe. De nieuwe hartklep kan van een donor komen, van dierlijk materiaal gemaakt zijn of zijn vervaardigd van kunststof. Als er sprake is van een kunststofklep, is het van groot belang om ervoor te zorgen dat er door de nieuwe klep geen trombose ontstaat. De kunstklep is namelijk van lichaamsvreemd materiaal en het bloed heeft de neiging om hierop een bloedstolsel te vormen. Mensen met een kunststofklep moeten daarom hun leven lang antistollingsmedicijnen slikken. 
 

DE KEUZE VAN DE HARTKLEP 

In principe zal altijd gekeken worden of de hartklep nog te repareren is. Indien dit niet het geval is, dan zal een mechanische of biologische kunstklep geplaatst worden. Uiteraard wordt de keuze hiervan in overleg gemaakt. Omdat ook andere medische factoren een rol kunnen spelen bij die keuze, is het noodzakelijk om een geode afweging te maken. Moet u bijvoorbeeld al antistolling gebruiken voor een andere aandoening, dan zal er in de regel sneller voor een mechanische kunstklep worden gekozen. 
 

DE BIOLOGISCHE KUNSTKLEP 

Zoals gezegd is een biologische kunstklep gemaakt van biologische materialen. Het grootste voordeel van een biologische kunstklep is dat u gedurende een relatief korte periode antistollingsmedicijnen hoeft te gebruiken. Die periode is nodig om de klep goed te laten ingroeien, zodat het risico op stolselvorming minimaal is. Het nadeel van biologische hartkleppen is dat ze maar een beperkte levensduur hebben en dus na verloop van tijd weer moeten worden vervangen. Hoe lang een biologische klep meegaat is niet precies aan te geven. Afhankelijk van uw leeftijd en andere factoren ligt die periode tussen 8 en 20 jaar. Het risico voor embolie is bij biologische klepvervanging lager dan bij mechanische kunstkleppen. 
 

DE MECHANISCHE KUNSTKLEP 

Deze klep is vervaardigd uit hoogwaardige metalen en kunststof. Het grootste voordeel van de klep is dat ze een leven lang meegaat. Het grote nadeel aan een mechanische kunstklep is dat mensen met zo’n klep hun leven lang coumarines (antistollingsmiddelen) moeten gebruiken. Dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de trombosedienst. Door het gebruik van antistollingsmedicijnen heeft u vaker last van blauwe plekken en als u zich verwondt zal het lang nabloeden. Ook is er een kleine kans op spontane bloedingen. Een ander nadeel van mechanische kunstkleppen is dat ze een – vaak nauwelijks hoorbaar – tikkend geluid maken.